BENEDICTIJNS KLOOSTERLEVEN
De heilige Benedictus (480-547 na Chr.) leefde in midden-Italië en schreef daar een ‘Regel voor monniken’ die een samenvatting is van het beste dat er in de verschillende tradities van monnikenleven in de Kerk van Oost en West te vinden was.
Benedictus typeert de monnik als iemand die niets dierbaarders op aarde kent dan Jezus Christus. Hij veronderstelt bij iedereen die monnik wil worden een diep verlangen naar God. ‘De kandidaat moet God zoeken’ schrijft hij.
Regel van Benedictus
Benedictus heeft zijn methode uitgewerkt in de “Regel voor monniken”. Het is een handleiding waarin het leven van de monniken wordt beschreven. Ze omvat bijvoorbeeld hoe je een nederig mens wordt, hoe de gasten moeten worden ontvangen, hoe kandidaten worden opgenomen, over de maat van eten en drinken.
De Regel van Benedictus is 1500 jaar oud en gaandeweg overal in Europa overgenomen omdat men het een heel wijze leefregel vond, Tot op de dag van vandaag wordt ze gevolgd, soms in meerdere of mindere mate aangepast aan deze tijd.
De Regel van Benedictus begint als volgt:
‘Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van je meester, en neig het oor van je hart: aanvaard gewillig de vermaningen van je liefdevolle vader en breng ze metterdaad ten uitvoer, om zo door de inspanning van je gehoorzaamheid weer tot Hem terug te keren, van wie je je door de slapheid van de ongehoorzaamheid hebt verwijderd. Naarmate men voortgang maakt in het monnikenleven en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een onuitsprekelijk blije liefde voort langs de weg van Gods geboden. Laten wij dan ook nooit afwijken van wat Hij ons geleerd heeft, maar in zijn leer tot aan de dood in het klooster volharden en zo verdienen om ook deelgenoten te worden van zijn Rijk.’
Spiritualiteit
Het zoeken van God uit zich voor Benedictus op drie terreinen van het leven. Allereerst in ijver voor het gebed, het gemeenschappelijke gebed van de monniken, maar ook in liefde voor het persoonlijke gebed, het gebed van het hart. In ons klooster komen we 5 keer per dag samen voor het koorgebed en vieren we elke dag de eucharistie. Het persoonlijke gebed vult iedere monnik op zijn eigen manier in, door stil te mediteren, vaste gebeden te herhalen of iets te verzoeken.
Ten tweede uit de monnik zijn verlangen naar God door te luisteren naar de stem van God zoals die klinkt in de Bijbel en andere geschriften. Hij ruimt tijd in voor geestelijke lezing. Een monnik luistert bovendien naar de stem van God in mensen en dingen, in de omstandigheden, in eigen hart en leden. Maar ook in degenen die leiding geven aan de kerk, waaronder de abt of vader van het klooster een bijzondere plaats inneemt. Volgens Benedictus is de abt in de gemeenschap de vertegenwoordiger van Jezus Christus. Dat luisteren is niet eenzijdig: de abt dient ook zijn monniken te raadplegen.
En tenslotte geeft de monnik vorm aan zijn verlangen om God te ervaren door zich met ijver te wijden aan arbeid. Behalve om in de eigen levensbehoeften te voorzien is werken een manier om God te loven. ‘Ik maak een gebed van het werk van mijn handen’. God heeft als Schepper van hemel en aarde zelf gewerkt. Door te werken neemt de monnik in zekere zin deel aan het scheppingswerk van God. Of het werk nu bestaat uit het schoonmaken van toiletten of het componeren van een lied.
Het benedictijnse kloosterleven wordt dus gedragen door drie pijlers: het gebed, de lezing en de arbeid. Het dagritme van de monniken wordt door deze drie hoofdbezigheden bepaald. Doel van dit levenspatroon is dat de monnik als mens geleidelijk groeit tot innerlijke heelheid en tot het geluk om God boven allen en allen lief te hebben.
Het dient om de liefde te leren, om te ontdekken dat ons hoogste geluk niet bestaat in krijgen maar in liefhebben. De Benedictijnen zijn een contemplatieve (beschouwende) orde, in tegenstelling tot actieve kloosterordes die zich bijvoorbeeld wijden aan onderwijs of missiewerk.
Relatie met Jezus Christus
In Jezus Christus ziet iedere monnik het ideaal van zijn leven. Het Benedictijnse kloosterleven is een methode om als mens steeds meer op Christus te gaan gelijken. Benedictus noemt zijn kloosters daarom een oefenschool voor de dienst van God. Je wordt er geschoold, omgeschoold, bijgeschoold tot de mens zoals God die bedoeld heeft, naar het evenbeeld van Zijn Zoon.
De Benedictijnse monnik legt 3 geloftes af: van stabiliteit, trouw aan een monastiek levensgedrag en gehoorzaamheid aan de kloosterregel. Stabiliteit betekent dat hij zich levenslang verbindt aan één vaste monnikengemeenschap. Een soort huwelijk dus. Een monastiek levensgedrag is een celibatair leven zonder eigen bezit. En de kloosterregel is in ons geval de Regel van Benedictus.
Leven als monnik

Leven als monnik is in alle tijden een uitzonderlijke keuze. Zelfs al lijkt dit lang geleden toch hoeven we er ook vandaag niet ver vanaf te staan wan het is een heel mooi en boeiend bestaan. Mooi omdat het een groot geheel vormt en boeiend omdat het een heel zinvol leven kan uitmaken.
Natuurlijk is het iets wonderlijks als je je door God aangetrokken voelt en jezelf voor Hem en je medebroeders beschikbaar stelt. Dat dit niet vanzelfsprekend is maar wel je ten diepste kan vervullen en aanspreken is in de kerkgemeenschap en in ordes vaker een voorkomende gebeurtenis. In actieve (naar buitengericht) of contemplatieve (meer beschouwend) zin geef je jezelf, zet je je in om gestalte te geven aan dat waartoe God je roept in Zijn dienst.
Wij benedictijnen doen dit door in navolging van de heilige Benedictus Jezus en het Evangelie centraal te stellen binnen de kloostersetting van bidden en werken in onze Sint Willibrordsabdij.
Nieuwsgierig geworden ? Als je meer wilt weten volg ons dan verder op onze website. Of nog beter: maak een afspraak om eens langs te komen als gast. Hartelijk welkom!
Wat is een monnik?

Wat?
Wat een vraag! Net zo als: wat doen jullie de hele dag? Als antwoord zeg ik dan: God zoeken. Dat gaat altijd door… Want als je Hem eenmaal ‘gevonden‘ hebt vind je Hem steeds meer in alles wat je bent en wat je doet.
Je zou het aan de buitenkant niet zeggen maar wij leiden een boeiend, wonderlijk en gevuld leven. Er is een Regel, een overste en een gemeenschap die je op orde en aan dit dagelijks avontuur houdt.
Wij leven een geordend leven. Veel structuur en discipline helpen om die vastheid te geven zoals een geraamte ook doet. Maar dat is vooral een basis en springplank om tot het enig noodzakelijke te komen: een fascinerende liefde van God die voor jou is bestemd. Zoals de heilige Benedictus waar wij naar vernoemd zijn al doorleefde, eerst als kluizenaar en later als abt van een door hemzelf gesticht klooster en gemeenschap. Sinds de 6e eeuw!
Hoe?
Benedictijnen zijn een beschouwende orde. Dat wil zeggen dat we een teruggetrokken leven leiden. Uit de wereld maar wel ten dienste van diezelfde wereld waarvoor God zoveel liefde toonde dat Hij zijn eniggeboren Zoon aan ons gaf. Kerstmis en Pasen zijn hiervan de hoogtepunten die we jaarlijks vieren. Wie dat ervaart wil ook zo leven als Jezus uitstraalde en Benedictus in zijn Regel ‘vertaalde ‘.
Natuurlijk is het leven volgens die blijde Boodschap, Jezus‘ evangelie zowel een uitdaging alsook een opgave. Wie laat nou alles achter zich en los om Hem alleen te volgen? En dat dan ook nog in gemeenschap van goederen, eenvoud, armoede, gehoorzaamheid en ongehuwde staat ? En een belofte van stabiliteit die je aan een vaste plaats en gemeenschap bindt?
Je kunt het ook omdraaien. Een boom die geworteld is staat er in alle seizoenen. Die draagt vrucht, kan tegen een stootje en is verfrissend, leven gevend. Iemand zei weleens: monniken zijn als bomen die ’s nachts CO-2 geven. Onopvallend maar broodnodig. Zelf zeg ik weleens: ze zijn als zonnepanelen: allemaal op een rij, allemaal hetzelfde, allemaal niets te doen… maar ze maken er door hun Gods-ontvankelijkheid energie van die omgezet wordt in liefde, warmte, licht en leven. In dienst van anderen, jezelf en de wereld dus als Godzoeker, gebeds- en gemeenschapsmens die gastvrijheid beoefent.
Ik?
Kun je zo leven? Eeuwenlang zijn er altijd broeders geweest die zich ertoe geroepen wisten. Als benedictijn gewoon tot zegen zijn. Dat rijmt en is ook waar. Het doet je goed en laat je groeien en wortelen als je je overgeeft aan de Heer en zijn Woord en durft laten vormen door mensen die goede planters en je medebroeders zijn. Dan kan je vrucht dragen onvoorstelbaar.
Ben je ook geraakt of geïnteresseerd? Je bent niet de enige. Kom en zie en neem contact op.
Je bent meer dan welkom !
Prior broeder Coert
Monnik in de 21e eeuw

Als je alles hebt, maar dat je gelukkig? Voor een tijdje, zeker. Maar op lange termijn en als het langer duurt komt er dan niet een verlangen naar meer? Niet van dingen, maar van Iemand. Niet om te hebben maar om volkomen te zijn.
Geluk is vaak broos, vergankelijk en gaat dus voorbij. Maar gelukkig zijn, iets wat we allemaal willen en zoeken, is iets blijvends. Het is van een andere orde. Het heeft met God te maken.
Als monnik ervaar je dat dit zijn mooiste geschenk is: ‘Leven wil ik je brengen en wel leven in overvloed’ (Joh. 10,10).
Als gast of oblaat kun je ook iets van die beleving opdoen in onze abdij of op een retraite in ons benedictijns retraitecentrum. Gun jezelf die vrede en dat geluk waarvoor wij allen bestemd zijn.
Mens uit één stuk worden, zich verbonden voelen met God en Zijn hele schepping, een zinvol leven, is dat niet wat je wilt? Het monniksleven helpt je bij het zoeken naar God, en kan de uiterste consequentie zijn van je verlangen.
Hoe word je monnik?

Het monnikenleven verschilt sterk van het gemiddelde leven buiten het klooster. Een monnik legt geloften af voor het leven. Alvorens die geloften te kunnen afleggen is een basisvorming noodzakelijk. Dat vraagt enige voorbereiding.
Kandidatuur
Als kandidaat voor het monniksleven kun je je bij ons of een ander klooster aanmelden. Normaal gesproken zul je eerst enkele keren als gast in ons gastenverblijf verblijven. Daarna kun een langere tijd, bijvoorbeeld een maand, met ons mee leven. Je wordt dan kandidaat of aspirant genoemd. In die periode zijn er gesprekken met de novicenmeester, die verantwoordelijk is voor de vorming. Als het verlangen om monnik te worden na ongeveer een jaar nog steeds aanwezig is, dan kun je de prior vragen om toegelaten te worden. Als hij, na inlichtingen en raad te hebben ingewonnen, positief oordeelt dan word je opgenomen als postulant.
Vormingstraject
Een postulant is een soort leerling-monnik. Je gaat nog geen binding aan, maar je verblijft in het klooster om gevormd te worden. Dat betekent dat je je baan moet opzeggen en het beheer van je persoonlijk bezit uit handen geeft. Je bent dan altijd nog vrij om het klooster weer te verlaten. De overste kan je, als het niet goed gaat, in die tijd ook wegzenden. Hij beslist ook of je toegelaten wordt tot het noviciaat. B
Bij het begin van het noviciaat wordt je ‘ingekleed’, dat wil zeggen dan ontvang je je habijt. Het noviciaat is de vormingstijd die voorafgaat aan het afleggen van de tijdelijke geloften. Het duurt een jaar en kan door de overste met een jaar verlengd worden. Tijdens postulaat en noviciaat wordt bijzondere aandacht geschonken aan het vertrouwd maken met de Heilige Schrift. Je wordt ingewijd in de monastieke geschriften, met name in de Regel van Sint Benedictus, en tevens in de leer over de weg van het geestelijk leven en over de aard van de geloften. Ook krijg je een degelijke liturgische vorming, die je smaak moet geven voor de viering van de Eucharistie en het Getijdengebed. En verder word je geholpen om de praktijk van het monastieke leven te leren kennen en je eigen te maken.
Aan het einde van de noviciaatsperiode wordt in onderling overleg en met toestemming van de hele gemeenschap besloten of je de tijdelijke geloften kunt afleggen. Tegen het einde van de proeftijd richt je als novice een aanvraag tot de monniken van het klooster om opname en toelating tot de tijdelijke professie. Die houdt in dat je voor de tijd van drie jaar de monastieke geloften aflegt van stabiliteit, trouw aan een monastiek levensgedrag en gehoorzaamheid volgens de Regel van Sint Benedictus. Deze professie kan eventueel na drie jaren nogmaals met drie jaren verlengd worden.
Ook in de jaren tussen de tijdelijke professie en de professie voor het leven zal veel aandacht besteed worden aan de monastieke vorming, die dan een meer theologisch-spiritueel karakter heeft. Na de drie jaar van de eerste professie kun je op eigen verzoek, en met toestemming van de overste, vragen om opnieuw voor drie jaar geloften af te leggen of om professie voor het leven te doen.
Eenmaal voor het leven geprofest ben je stemhebbend lid van de kloostergemeenschap en ontvang je als teken van je toewijding aan God het eigenlijke monnikskleed, de kovel. Alleen om zeer ernstige redenen kun je dan nog het monastieke leven verlaten.
Vereisten
Een kandidaat voor het monastieke leven moet rooms-katholiek zijn en de sacramenten van doopsel en vormsel ontvangen hebben. Je moet door geen enkel kerkrechtelijk beletsel verhinderd zijn. Dat betekent dat je ongehuwd moet zijn en vrij van iedere andere verplichtende verbintenis of verantwoordelijkheid.
Je moet minstens 18 jaar zijn en een middelbare administratieve of beroepsopleiding voltooid hebben.
Enige levens- en/of beroepservaring is wenselijk.
Ook moet je in staat zijn om in een gemeenschap te leven met mensen die je niet zelf hebt uitgekozen. Het vraagt enige emotionele rijpheid om het gemeenschapsleven van de monniken te kunnen delen. Als die onvoldoende aanwezig is kan de novicemeester je vragen om je op dat punt professioneel te laten begeleiden ten einde je ingroei in de gemeenschap en je eigen levensgeluk te bevorderen.
Als je meer informatie wilt, dan kun je vrijblijvend contact opnemen met de prior via prior@willibrordsabdij.nl of de novicemeester via info@willibrords-abbey.nl
Benedictijnse Spiritualiteit

De abdijhoeve Betlehem, het benedictijns retraitecentrum van de Sint Willibrordsabdij, stoelt op de christelijke fundamenten van de spiritualiteit van de westerse monnikenvader Benedictus. Benedictus leefde van ca. 480 tot 547. Hij trok zich in de eenzaamheid terug en leefde enige jaren als kluizenaar te Subiaco. Van Benedictus wordt gezegd dat ‘hij met zichzelf woonde onder het alziend oog van God’. Hij bleef echter niet alleen; meerdere leerlingen zich bij hem aan. Rond 529 stichtte hij op de Monte Cassino een klooster waar hij zijn Regel voor monniken schreef. Uit deze Regel komen de volgende gedachten.
Benedictus moedigt mensen – monniken en leken – aan op zoek te gaan naar God door gebed en meditatie, geestelijke lezing en werk. Zo woont de mens met zichzelf: wordt hij of zij zoals God je bedoeld heeft. Benedictus wil een ‘oefenschool stichten voor de dienst van de Heer’. Daarbij gaat het om het inoefenen van een levenshouding van ontvankelijkheid voor God die er ten diepste in bestaat ‘steeds in gedachten te houden wat God van je vraagt’. Deze levenshouding is gebaseerd op het inzicht ‘dat God altijd aanwezig is in het binnenste van ons wezen’. Het leven in Gods aanwezigheid vraagt om innerlijke en uiterlijke aandacht. Deze inspanning beoogt ‘de liefde van God te bereiken, die volmaakt is en de vrees buitensluit’.
De inkeer betekent niet dat de buitenwereld genegeerd wordt. Integendeel: de verheldering van het innerlijke oog maakt de mens scherpzinniger om Gods aanwezigheid in de medemens te ontwaren en hem met de passende eerbied te bejegenen. En leidt zelfs tot respect voor alles wat bestaat: voor Gods schepping, de natuur, maar ook voor de menselijke samenleving en de cultuur waarin wij leven.
De benedictijnse spiritualiteit laat zich kernachtig samenvatten in deze ene zin: ‘Keer u af van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag hem na.’ De toeleg die deze levenshouding vraagt typeert Benedictus als een ‘geestelijk ambacht’. Het vergt inspanning, maar wel met dien verstande dat de mens zich bewust is dat niet de eigen inspanning, maar alleen de genade van God de mens echt vrij maakt.
“Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen. Aan ieder wordt de eer bewezen die men hem verschuldigd is. Zodra dus een gast wordt gemeld, gaan de overste en de broeders hem tegemoet met de meest liefdevolle voorkomendheid.”
Benedictus van Nursia (480-547)

